Woorden zijn net mensen

Woordenboeken en atlassen hebben mij al van jongs af aan gefascineerd. Ze stillen mijn honger om grip te krijgen op de wereld om ons heen. In zekere zin proberen woordenboeken en atlassen namelijk de wereld in haar compleetheid te beschrijven, zowel die van de geest als die van de aarde. Toen ik als kleine jongen eens een beduimeld woordenboek vond op zolder, wilde ik die dan ook dolgraag hebben. Mijn vader vond dat goed. Toen ik echter ontdekte dat er ook vieze woorden in stonden zoals pikhaak en pikdonker en ik dit besmuikt aan mijn broer en zus vertelde, moest ik het woordenboek gelijk weer inleveren. Mijn atlas mocht ik houden.

Woorden zijn als levende wezens. Ze hebben allemaal een afkomst, dragen een eigen klankkleur mee, kunnen zich hechten aan andere woorden, bezitten eigenschappen en proberen vooral een bepaalde betekenis uit te drukken. Woorden zijn ook eigenzinnig. Plaats ze in een andere omgeving en ze beginnen zich anders te gedragen. Ze verschieten van klankkleur, veranderen van eigenschap of krijgen zelfs een andere betekenis. Dat is de paradox van de hermeneutische cirkel: Woorden ontlenen hun betekenis aan hun omgeving en zinnen ontlenen weer hun betekenis aan de woorden waaruit ze bestaan. Waar moet je beginnen?

Mijn collega natuurkunde, die mij uitstekend uitlegde waarom een vlag altijd begint te scheuren aan de wapperende kant (een van mijn levensvragen), beklaagde zich er op haar beurt over dat taal onnodig ingewikkeld is. Ze vroeg zich af waarom we homofonen zoals /ou/ en /au/ of /ei/ en /ij/ niet gewoon gelijktrekken. Vanuit het denkkader van de natuurkunde is dit wellicht logisch gedacht, maar wie woorden beter leert kennen weet dat je de afkomst van een woord nou eenmaal niet kunt weggummen of zijn klankkleur zomaar kunt opheffen. Hiermee zouden we de eigenschap van een woord tenietdoen, waardoor het ophoudt te bestaan en uiteindelijk verdwijnt. Onze taal zal erdoor verschralen.

Woorden zijn net mensen. De poging van woordenboeken om alle kenmerken van een woord te vangen in een bondige omschrijving lukt dan ook meestal maar ten dele. Wie zou immers een mens in een lemma kunnen vangen? Dat lukt dus ook niet goed met woorden. Een standaardwoordenboek alleen is eigenlijk nooit voldoende. Om een woord beter te begrijpen moeten we bijvoorbeeld ook een etymologisch woordenboek raadplegen dat de afkomst van woorden beschrijft of een thesaurus waarin het gebruik van een woord zo compleet mogelijk geregistreerd is. Woordenboeken schrijven is dan ook een monnikenwerk waarin gekte en genialiteit elkaar dicht naderen, wat overigens prachtig in beeld wordt gebracht in de film The Professor and the Madman.

Op de preekstoel wordt soms veel betekenis gegeven aan specifieke woorden. Zo hoorde ik een spreker herhaaldelijk zeggen dat het Griekse woord voor aanbidden, proskunéō, verwant is aan het woord voor hond, kúōn. Proskunéō zou dan een handeling uitdrukken die lijkt op een hond die de hand van zijn baas likt. Hiervan begon mijn hermeneutische cirkel behoorlijk te tollen. Het beeld van aanbidden en een likkende hond passen in het geheel niet bij elkaar. De standaardwoordenboeken wagen zich er dan ook niet aan om een verband te zien in de oppervlakkige klankovereenkomst tussen kunéō en kúōn. Na wat zoekwerk kwam ik erachter dat het idee teruggaat op het lexicon van James Strong (1822-1894), die een mogelijk verband tussen proskunéō en kúōn noemt.

Proskunéō drukt een vorm van aanbidden uit waarbij de aanbidder zich voorover (pros) buigt, maar de tweede helft van het woord (kunéō) blijkt een veel mooiere betekenis mee te dragen dan de spreker suggereerde. Om die betekenis te ontdekken moeten we teruggaan naar het Proto-Indo-Europees, een gereconstrueerde taal die ten grondslag ligt aan bijna alle talen die in het Indo-Europese gebied worden gesproken. Volgens Robert Beekes’ Etymological Dictionairy of Greek (2013) is kunéō verwant aan het Hettitische kuu̯ašš-zi, dat weer teruggaat op de Proto-Indo-Europese wortel ḱues-. Deze vorm heeft waarschijnlijk een oorsprong als onomatopee, een woordvorm die een klank nabootst. Het is niet moeilijk om hier het Nederlandse werkwoord kussen in te ontdekken. Aanbidden is dus een vorm van kussen. Dat is wel even iets anders dan een likkende hond.

Wie de afkomst van woorden wil schrappen om redenen van gemak en eenduidigheid, zoals mijn collega natuurkunde voorstelt, of een betekenislaag toekent aan een woord zonder kennis te nemen van zijn afkomst en ontwikkeling, loopt het gevaar om de nuance van een taal te verliezen of zelfs uit te komen bij een wezensvreemde betekenis. Laat woorden vooral zichzelf zijn met hun eigenschappen en eigenaardigheden. Laat woorden werken waar ze verschijnen, zodat zij daar tot hun recht kunnen komen. Het zijn immers net mensen. En kom je een woord (of een mens) tegen in een vreemde omgeving? Graaf dan vooral dieper. Er zijn inmiddels genoeg etymologische naslagwerken beschikbaar. Als mijn vader deze destijds had geraadpleegd, had hij mij wellicht al heel vroeg kunnen vertellen dat pik niet per se een vies woord is en dan had ik mijn eerste eigen woordenboek nu nog steeds gehad.

Foto van Ari Spada op Unsplash.

Plaats een reactie