Vorig jaar besloten een collega en ik om onze leerlingen rond Pasen mee te nemen naar de plaatselijke katholieke kerk om hen daar rond te leiden langs de veertien statiën die het lijdensverhaal van Jezus uitbeelden. Samen met de leerlingen liep ik langs de afbeeldingen en bij iedere statie hielden we halt en vertelde ik kort wat erop te zien was en wat hiervan de betekenis was. Aan de manier waarop de leerlingen geboeid bleven luisteren was te merken dat zij dit verhaal nog nooit zo gehoord hadden. Toen wij bij de twaalfde statie aankwamen, waarop te zien is hoe Jezus sterft aan het kruis, vertelde ik aan de hand van de analyse van anesthesioloog Bob Smalhout hoeveel pijn Jezus heeft moeten doorstaan en waaraan hij uiteindelijk moet zijn gestorven. Ik bespaarde de leerlingen hierbij de bloedige details niet. Plotseling viel een van de leerlingen die vooraan stonden, recht voorover. Eerst dacht ik dat hij werd geduwd en dat hij gelijk weer zou opstaan, maar toen de jongen roerloos bleef liggen, wist ik dat er iets mis was.
Deze gebeurtenis heeft voor mij verschillende lagen van betekenis gekregen. Ik was verrast door de bewogenheid die ik ervoer voor deze jongen. Hij zat niet in een van mijn klassen, dus ik kende hem niet persoonlijk, maar ik probeerde contact met hem te krijgen door te vragen wat er gebeurd was en door naar zijn naam te vragen. Ik was mij ook meteen bewust van de religieuze dimensie van deze gebeurtenis. Terwijl ik stond te spreken over de dood van Jezus, viel een van de leerlingen zomaar als dood voor mijn ogen neer. Hij was gelukkig alleen flauwgevallen, omdat, zo bleek achteraf, hij slecht tegen bloed en geweld kon. Hij was met zijn hoofd op mijn voet gevallen en kwam er met alleen een bloedlip vanaf.
Deze gebeurtenis heeft voor mij ook een symbolische betekenis gekregen. Godsdienstonderwijs is een existentiële vorm van ontmoeting met de ander die in andere vormen van onderwijs niet zo gemakkelijk tot stand komt. In mijn lessen Nederlands en geschiedenis komen voldoende onderwerpen aan bod die tot betekenisvolle gesprekken leiden, maar zo dicht op de huid als dit moment was het nog nooit geworden tussen mij en mijn leerlingen. Het onverwachte, het ongrijpbare, het onbeheersbare kan gebeuren wanneer leerlingen in aanraking komen met de religieuze werkelijkheid. Godsdienstonderwijs kan dan ook geen afstandelijke vorm van onderwijs blijven. Leerlingen en de docent zullen worden geraakt door de religieuze dimensie, waarvan ik geloof dat hierin een ontmoeting met God plaatsvindt. Wij worden getroffen in ons diepste wezen, omdat onze diepste vragen, onze diepste emoties of onze diepste angsten worden aangeraakt wanneer wij de bijbelse verhalen laten spreken, net zoals deze jongen door de aanblik van de lijdende Jezus zo diep werd geraakt dat hij pal voorover viel.
Godsdienstpedagoog Bert Roebben beschouwt godsdienstonderwijs als het betreden van het voorportaal van de kerk, de zogenaamde narthex. Hij gebruikt hiervoor de indrukwekkende narthex van de basiliek Sainte-Marie-Madeleine in Vézelay, Frankrijk als voorbeeld. Op deze plek komen pelgrims die op weg zijn naar Santiago de Compostella vaak even op adem. In zijn “nartectische benadering” van godsdienstonderwijs beschrijft Roebben twee vormen van reizen: die van de toerist en die van de pelgrim. Toeristen zijn volgens hem “consumerend, hebzuchtig en veeleisend,” terwijl pelgrims “contemplatief zijn, openstaan voor verrassingen en de tijd nemen om hun ervaringen rustig te verwerken.” Roebben waarschuwt dat veel scholen zichzelf zijn gaan zien als verschaffers van ‘travel kicks’, waardoor kinderen “niet meer leren wat het betekent om zichzelf te verrijken en te worden opgenomen onderweg.”
Als docent herken ik wat Roebben schrijft. Leerdoelen, lesplannen en resultaten bepalen grotendeels de onderwijsagenda en alleen een onverwachte gebeurtenis, zoals een jongen die plotseling neervalt en roerloos blijft liggen, kan ons dan stilzetten en bepalen bij de essentie van waar we op dat moment mee bezig zijn. Toch ben ik als docent vaak zelf degene die mijn leerlingen beschouwt als toeristen. Ik verwacht dat zij komen om te consumeren en gemakkelijke antwoorden te zoeken (“moet ik dit weten voor de toets?”). Daarbij vergeet ik dat iedere leerling ook een pelgrim is, een zoeker, iemand “die graag reist maar ook een thuis wil bereiken,” zoals Roebben schrijft.
Dit vraagt om een plaats van rust, waar leerlingen in staat worden gesteld om vanuit de drukte van hun leven en de onrust van hun levensvragen in aanraking te komen met de religieuze dimensie van het leven. Roebben stelt de narthex voor als zo’n plek, als een “pedagogische ruimte tussen verlangen en perspectief … tussen het zoeken van de leerling en het voorstel van de leraar om een mentale ‘omweg’ te nemen … een onvoorzien ‘leermoment’ binnen de intentioneel georganiseerde leerruimte.” Dit beeld resoneert bij mij. Ik zie graag dat mijn klaslokaal zo’n voorportaal wordt, een georganiseerde leerruimte waarin onvoorziene leermomenten kunnen plaatsvinden. Ik ervoer het moment in die kerk daarom ook als een nartectisch moment. Heel even raakte de onrust binnenin deze jongen (zijn angst voor bloed en geweld) en de religieuze werkelijkheid (Jezus die zijn bloed liet vloeien voor onze vergeving en genezing) elkaar en het onverwachte gebeurde. Plotseling veranderden wij allemaal, niet alleen die jongen maar ook alle omringende leerlingen en ikzelf, van rondkijkende toeristen in zoekende pelgrims.
Roebbens beschrijving van toeristen en pelgrims en zijn metafoor van de narthex helpen mij om op mijn eigen rol in het onderwijs te reflecteren. Zij laten mij zien hoe ik als docent op school of als spreker in de kerk vaak nog de rol vervul van gids terwijl ik een medepelgrim zou moeten zijn. Niet iedereen die een kerk bezoekt, is een toerist. Wellicht zijn velen zelfs pelgrims, reizigers die niet komen om iets te halen maar om iets af te leggen. Dit geldt ook voor mijzelf als ik terugkeer naar de essentie van het evangelie. Het is ten diepste geen kennisobject maar een existentiële ontmoeting met de liefde van God, waarvan ik geloof dat wij hier allemaal naar op zoek zijn. En, zoals Gandalf al zei, “not all those who wander are lost.”
“Meneer, wat is nou uw mooiste Bijbeltekst,” vroeg een derdejaars leerling mij laatst. Ik vertelde hem hoe ik op een andere school eens een dronken leerling van de trap had moeten helpen in de bar waar het schoolfeest werd gehouden. Bovenaan de trap van de kroeg hing een afbeelding van Jezus als herder en daaronder stonden de woorden: “Kom tot Mij, jullie die vermoeid zijn en onder lasten gebukt gaan, Ik zal jullie rust geven” (Matteüs 11:28). “Dat is mijn mooiste Bijbeltekst,” zei ik tegen mijn medepelgrim. Heel even deelden we een nartectisch moment. Een vraag werd gesteld. Een ervaring werd gedeeld. Een korrel hoop werd gezaaid. En toen vervolgde ik mijn les Nederlands.
Deze tekst is een bewerking van een essay dat ik schreef voor het vak Religious Pedagogy gegeven door Bert Roebben aan de Evangelische Theologische Faculteit, Leuven in het tweede semester van 2025-2026. De aangehaalde citaten zijn afkomstig uit Bert Roebben, Theology Made in Dignity: On The Precarious Role of Theology in Religious Education, Louvain Theological and Pastoral Monographs 44 (Leuven: Peeters, 2016) en J. R. R. Tolkien, The Fellowship of the Ring, Lord of the Rings 1 (1954; London: Harper Collins, 2009). De analyse van Bob Smalhout is op 30 maart 1985 gepubliceerd in De Telegraaf onder de titel “Die verschrikkelijke vrijdag: Een minutieuze reconstructie van het lijden van Jezus Christus”. De foto is van Benjamin Smith en afkomstig van Wikimedia Commons.
