Dit weekend vieren wij dat Jezus is opgestaan uit de dood. Dat is toch wel het allermooiste feest van het jaar. Ieder van ons zal vroeg of laat dit leven moeten verlaten, maar door wat Jezus heeft gedaan mogen wij weten dat voorbij de deur van de dood leven wacht voor wie in Hem gelooft.
Omdat het ook een lekker lang vrij weekend is, ben ik druk bezig met het onderwerp waarmee ik volgend jaar mijn studie theologie aan de Evangelische Theologische Faculteit Leuven hoop af te ronden. Ik onderzoek de werking van het Griekse werkwoord in de brief van Paulus aan de Efeziërs. Als kleine pauzeoefening wil ik eens kijken naar een werkwoordsvorm die mijn naamgenoot, de evangelist Markus, gebruikt om Jezus’ opstanding uit de dood aan te duiden.

Werkwoorden zijn fascinerend. Zij zijn als het vliegwiel waarin de tandwielen van de andere zinsdelen kunnen inhaken, zodat het grammaticale wonder tot stand komt en de zin gaat draaien als een motor. Of, zoals ik het graag uitleg in de klas, beschouw jezelf als de regisseur van een toneelstuk waarvan het werkwoord de titel is. Welke acteurs (onderwerp en voorwerpen) en welke rekwisieten (bepalingen) heb je nodig om dit stuk goed uit te beelden?
Vaak denken wij bij werkwoorden aan tijd en vervoeging (die verdraaide d’tjes, t’tjes en n’tjes): God wekt Jezus op uit de dood, God wekte Jezus op uit de dood, God heeft Jezus opgewekt uit de dood. In deze voorbeelden wordt niet alleen het moment in de tijd uitgedrukt (heden, verleden), maar ook de manier waarop de handeling zich voltrekt (voortgaand, afgerond). Dit wordt aspect genoemd.
Werkwoorden dragen nog meer eigenschappen met zich mee dan alleen tijd en aspect. Werkwoorden kunnen ook uitdrukken dat de handeling door iemand wordt verricht (God wekt Jezus op uit de dood), dat de handeling terugslaat op het onderwerp zelf (Jezus staat op uit de dood) of dat de handeling extern of intern veroorzaakt wordt. De regisseur van de zin moet daarom goed opletten om welke rollen het werkwoord precies vraagt en wie welke rol heeft.
Onze taal is veel minder goed uitgerust om al deze kenmerken van het werkwoord te markeren dan het klassieke Grieks dat was. In het Nederlands kennen wij bijvoorbeeld de actieve vorm (God wekt Jezus op uit de dood) en de passieve vorm (Jezus wordt opgewekt uit de dood), maar in het Grieks bestond er nog een derde vorm, die voor het gemak medium, “middenvorm”, genoemd is. Wat deze vorm uitdrukt, is precies de vraag van mijn onderzoek en eerlijk gezegd kan ik daar nog geen bevredigend antwoord op geven.
Wat ik al wel heb ontdekt, is dat onze indeling in actief, passief en medium, die wij hebben overgenomen uit de Latijnse grammatica, waarschijnlijk niet helemaal klopt. Het is aannemelijker dat de oude Grieken een werkwoordsysteem gebruikten met de actieve vorm aan de ene kant en de middenvorm aan de andere kant. De actieve vorm kan dan beschrijven dat de handeling wordt uitgevoerd door het onderwerp en wordt voltrokken aan het lijdend voorwerp (God wekt Jezus op uit de dood), terwijl de middenvorm markeert dat de handeling hoe dan ook terugslaat op het onderwerp zelf (Jezus staat op uit de dood). De passieve vorm zou dan een intensievere vorm van het medium zijn, dat dus eigenlijk niet meer een middenvorm genoemd kan worden.
In de klas zou deze indeling van de Grieken misschien ook wel handig zijn. Het blijft namelijk altijd lastig om uit te leggen dat in de ene zin Jezus het lijdend voorwerp is en in de andere het onderwerp, terwijl beide zinnen uitdrukken dat Hij is opgestaan uit de dood. Door de zin als toneelstuk voor te stellen probeer ik dan ook de grammaticale rollen en de betekenisnuances beter zichtbaar te maken.
Hoe doet Markus dat? Aan het einde van zijn evangelie treffen de vrouwen die het graf van Jezus bezoeken een jongeman aan die tegen hen zegt: egerthe, ouk estin hode (Markus 16:6), wat “Hij is opgestaan/opgewekt, Hij is hier niet” betekent. Het werkwoord egerthe heeft een passieve vorm. In veel Nederlandse bijbelvertalingen is dit dan ook passief vertaald met “Hij is opgewekt”, maar in de Statenvertaling (en verschillende Engelse vertalingen) is dit actief vertaald met “Hij is opgestaan”.
Theologisch gezien is dit een interessant vertaalverschil. In het Nieuwe Testament vinden wij namelijk beide gedachten terug. Er staat geschreven dat God Jezus uit de dood heeft opgewekt, wat vooral de apostel Paulus benadrukt, maar ook dat Jezus zelf is opgestaan uit de dood. Hieruit kunnen we al voorzichtig concluderen dat Jezus aan God gelijk is. Wie is immers in staat om dood om te keren in leven dan God alleen?
Grammaticaal gezien is het vertaalverschil ook interessant. Het toont namelijk de ambiguïteit die in de Griekse werkwoordsvorm besloten ligt en die wij zouden aanduiden als een passieve vorm met een actieve betekenis. Wilde Markus uitdrukken wie de opstanding/opwekking verrichtte? Of wilde hij duidelijk maken op wie de opstanding/opwekking terugsloeg? Of wilde hij juist uitdrukken dat de gebeurtenis van het werkwoord dat de opstanding/opwekking beschrijft niet van buitenaf maar van binnenuit werd veroorzaakt? Dit laatste wordt ergativiteit genoemd. Nog zo’n fascinerend kenmerk van het werkwoord.
De keuze is aan de lezer zelf. Vertaalkeuzes worden meestal voor ons gemaakt en daardoor vergeten wij vaak de betekenisnuances die achter grammaticale vormen schuilgaan. Door het werkwoord op te voeren als toneelstuk en door aandachtig te bekijken welke rollen er nodig zijn om het uit te beelden, komt de betekenis van het werkwoord nog beter tot zijn recht. Zo worden wij door de tekst uitgenodigd om als regisseur onze beste interpretatie van de zin op te voeren. Egerthe! Hij is opgestaan. Hij is opgewekt. Hoe dan ook, Hij leeft!
Afbeelding van Pinterest.