Het is dit jaar veertig jaar geleden dat Het gouden ei van Tim Krabbé verscheen. Wie het boek heeft gelezen, kan geen tankstation langs de snelweg passeren zonder af en toe terug te denken aan Saskia Ehlvest. Dat zal voor menig Nederlander gelden, want de titel prijkt al vanaf de jaren tachtig bovenaan de boekenlijsten van middelbare scholieren. En dat is begrijpelijk. Het is een dun boek, aantrekkelijk geschreven en het verhaal belooft de lezer een mokerslag uit te delen. Voor docenten Nederlands is het ook een handig boek om te gebruiken in de les, omdat vrijwel alle elementen van verhaalanalyse erin voor het oprapen liggen. Er is een overdaad aan motieven te ontdekken, het vertelspel met chronologie en perspectief houden de spanningsboog strak gespannen en wie van een benzinestation een onvergetelijke plek weet te maken, snapt hoe ruimte in een verhaal werkt. Toch is Het gouden ei meer dan een schoolvoorbeeld van literaire techniek. Achter het verhaal schuilt een werkelijkheid die wij allemaal herkennen.
Het gouden ei begint met Rex Hofman en Saskia Ehlvest die op weg zijn naar hun vakantiebestemming in Zuid-Frankrijk. Om de broeierige spanning tussen hem en Saskia uit de lucht te halen, besluit Rex eerder dan nodig te gaan tanken. De vrede is al snel weer gesloten en na een korte rustpauze stelt Saskia voor dat zij nog wat te drinken haalt in de winkel van het tankstation. Dit blijkt een noodlottige beslissing te zijn. Saskia komt niet meer terug. Rex blijft radeloos achter met de herinnering aan een nachtmerrie die Saskia hem eens heeft verteld. In haar droom zat zij opgesloten in een gouden ei dat rondzweefde in een eindeloos en leeg heelal. De enige mogelijkheid om hieruit te ontsnappen zou zijn dat een ander gouden ei op haar ei botst en zo vernietiging bevrijding zou betekenen. Het eerste hoofdstuk van Het gouden ei eindigt met Rex die beseft dat zijn diepste verlangen om één met Saskia te worden waarheid is geworden. Door de verdwijning van Saskia zit ook hij nu opgesloten in de angst en eenzaamheid van het gouden ei.
In een interview met Marja Pruis vertelde Krabbé dat Het gouden ei is begonnen als kort verhaal. Wellicht is het eerste hoofdstuk wel de eerste versie van dat verhaal geweest. Het bevat namelijk in de kiem alle motieven die gaandeweg het verhaal zullen ontkiemen tot het grondmotief van oneindigheid en eenzaamheid. Dit alles komt samen in het verhaalmotief van het getal acht. Wat krijg je als je twee eieren opstapelt? Precies, een acht. Welk teken ontstaat er als je de acht een kwart slag draait? Juist, het oneindigheidsteken, dat nauw samenhangt met de nachtmerrie van Saskia. Acht is Saskia’s lievelingsgetal. Rex en Saskia begraven twee muntjes bij het achtste paaltje. Saskia verdwijnt rond acht uur ’s avonds en Rex hoeft de politie niet voor acht uur ’s ochtends terug te bellen. De kilometerstand, die zij noodgedwongen met de hand moeten bijhouden, staat op 512. Tel de getallen zelf maar op. Er staan 17 mensen op de foto die Rex van het benzinestation heeft gemaakt. Uiteindelijk ijsbeert Rex “eenzaam als een achtergelaten ruimtewandelaar” in ellipsen over het terrein. Zelfs in de vorm van zijn loop is het idee van het ei en de acht niet ver weg.
Literatuurwetenschapper Jeroen Dera voert een pleidooi voor twee nieuwe benaderingen van deze literaire klassieker om niet te “blijven steken in het getal acht en het daaraan verwante oneindigheidsteken.” Dera stelt voor om de verhaalmotieven metafictioneel en ideologisch (representatie-kritisch) te lezen. Op overtuigende wijze toont Dera aan dat een ideologische lezing racisme en seksisme blootlegt in de focalisatie van de mannelijke hoofdpersonen Rex en Raymond. In de voorgestelde metafictionele lezing vraagt Dera ook aandacht voor twee onderbelichte verhaalmotieven, namelijk het ruimtevaartmotief en het spelmotief. Samengevoegd zorgen beide motieven er volgens Dera voor dat “de doodservaring en het isolement . . . verankerd zijn in de droom, het spel, het fictionele en het literaire.” Niet alleen wordt Saskia’s nachtmerrie werkelijkheid, maar “de werkelijkheid [zou] zelf een droom of een fictie kunnen zijn.” Dera’s benaderingen zijn veelbelovend als het erom gaat de verhaalwerkelijkheid in Het gouden ei bloot te leggen.
Zo wordt Het gouden ei losgemaakt uit de greep van de geijkte verhaalanalytische benadering. Terecht merkt Dera op dat er door docenten te weinig argumenten worden gebruikt “met betrekking tot het wereldbeeld dat de novelle oproept of de ideologie die uit Krabbés tekst spreekt.” Waarin schuilt de kwaliteit van dit verhaal werkelijk? Tegen de verwachtingen van veel literatuurcritici in is Het gouden ei ongekend populair geworden. Komt dit alleen door de omvang, de spanning of het gebruik van de structuurelementen? Waarschijnlijk niet. Met zijn metafictionele benadering laat Dera zien dat het boek meer is dan dat. Het gouden ei weet een diepere laag aan te boren die wij allemaal herkennen, een existentiële angst, een diep gevoel van verlatenheid en eenzaamheid. De metafictionele werkelijkheid ontworstelt zich aan het verhaal, dringt zich aan ons op en achtervolgt ons tot benzinestations langs de snelwegen, die een onbehagelijk niemandsland tussen thuis en eindbestemming zijn geworden.
Het gouden ei behandelt levensgrote vragen over liefde en dood. In een interview met Yvonne Kroonenberg beschreef Krabbé het thema van zijn boek als “dat er geen dood is en dat het einde die tocht in het gouden ei zal zijn. Dat je niet kunt sterven en eeuwig eenzaam moet zijn.” Deze duiding vraagt om nog een benadering van het Het gouden ei, namelijk een theologische benadering. Verhalen over liefde, dood en eeuwigheid kunnen uiteindelijk niet om de vraag naar God heen. Afgezien van een enkele vloek, lijkt God echter de grote Afwezige te zijn in Het gouden ei. Toch zijn er alleen al in het openingshoofdstuk motieven te ontdekken die een bijbelse lading hebben. Uiteindelijk bevat het verhaal zelfs de belofte van een zekere verlossing in de mogelijkheid dat de twee eieren tegen elkaar botsen, zoals Anton Dautzenberg observeert. Dat het hierin ten diepste om onbereikbare liefde gaat, blijkt uit de constatering van Krabbé dat “[het] moeilijk . . . is de liefde te verwezenlijken en dat ’t misschien alleen maar kan lukken in een denkbeeldige wereld.” Een theologische benadering van Het gouden ei kan deze laag van verlossing in het verhaal blootleggen en op waarde schatten.
Als een verhaal vol is van verborgen aanwijzingen, lijkt ieder element wel een diepere betekenis te dragen. In de zoektocht hiernaar schuilt het gevaar dat de interpretatie volledig los komt te staan van de bedoeling van de schrijver en een eigen, soms ook onzinnig leven gaat leiden. Toch wordt een diepere betekenis zo nu en dan zichtbaar zonder dat de schrijver dit bewust bedoeld heeft. Dit kan ook gelden voor het personage van Rex Hofman, die de rol van een Adamfiguur lijkt te spelen in Het gouden ei. Minstens drie elementen wijzen in die richting, waarbij moet worden opgemerkt dat de combinatie hiervan overtuigender is dan losstaande elementen op zichzelf.
In zijn bespreking van Het gouden ei besteedt Dautzenberg kort aandacht aan de speaking names in het boek. Dat Rex ‘koning’ betekent, zou erop wijzen dat hij bereid is tot het uiterste te gaan. Er is echter een meer voor de hand liggende associatie te maken wanneer de voornaam en achternaam samen worden gelezen. Hofman betekent toch ‘de man van de hof’. De eerste mens, Adam, werd door God geschapen om als koning te heersen over de aarde (Genesis 1:27) en God plaatste hem vervolgens in de hof van Eden (Genesis 2:8). Adam was letterlijk ‘Rex Hofman’, zou je kunnen zeggen.
Het gelukkige stel Rex en Saskia roepen in de beslotenheid van de autocabine ook een herinnering op aan het eerste mensenpaar, Adam en Eva. Wat deze herinnering versterkt, is Rex’ verlangen om één te worden met Saskia: “Saskia was de enige met wie hij er werkelijk naar had verlangd één te zijn.” In de laatste zin van het eerste hoofdstuk is zijn wens in vervulling gegaan: “. . . de angst en de eenzaamheid van het Gouden Ei, en alsof daarmee zijn wens eindelijk in vervulling was gegaan: één met haar worden.” De eenheid tussen man en vrouw wordt ook in Genesis benoemd: “Zo komt het dat een man zich losmaakt van zijn vader en moeder en zich hecht aan zijn vrouw, met wie hij één van lichaam wordt” (Genesis 2:24). In het verlangen van Rex is het oerverlangen van de mens zichtbaar.
In Het gouden ei is het van grote betekenis dat Rex één wordt met Saskia door te delen in haar lot. Ook dit blijkt aan te sluiten bij het verhaal in Genesis. In het eerste hoofdstuk van Het gouden ei wordt achteloos genoemd dat Rex “een man met een mitella” ziet staan leunen tegen de winkelwand. Dit ogenschijnlijk onbetekenende detail zal nog een lange schaduw werpen over het verhaal. Het kwaad doemt zomaar op uit de tekst en sleurt Saskia mee net zoals de slang in Genesis zomaar opdoemt van tussen de in het wild levende dieren en Eva verleidt tot het eten van de verboden vrucht. De woorden “en ook hij [Adam] at ervan” zijn vervolgens van veelzeggende betekenis (Genesis 3:1-6). Ondanks het grote verschil waar het de schuldvraag betreft, is er ook een opmerkelijke overeenkomst te zien. Zoals Adam meeging in de misstap van Eva met alle tragische gevolgen van dien, zo deelt Rex in het tragische lot van Saskia in zijn verlangen om onder alle omstandigheden één met haar te zijn.
Na het eerste hoofdstuk van Het gouden ei is niets meer hetzelfde. Angst, eenzaamheid en verlatenheid dooraderen de rest van het verhaal. Rex komt niet meer los van wie hij mist. Acht jaar later wordt hij nog steeds achtervolgd door nachtmerries. Hij kan Saskia niet loslaten. Ook na de eerste drie hoofdstukken van Genesis is niets meer hetzelfde. Angst, eenzaamheid en verlatenheid dooraderen de rest van de menselijke geschiedenis. Het besef van wat wij missen, drukt des te zwaarder op ons als wij naar de oneindige leegte boven ons staren en ons afvragen of inderdaad niets anders dan eeuwige eenzaamheid ons wacht. De schrijver van het bijbelboek Prediker worstelt met dezelfde vraag als hij nadenkt over de ijdelheid van het leven. Hij verzucht dat God de eeuwigheid in het hart van de mens heeft gelegd, zonder dat de mens het werk van God van het begin tot het eind kan doorgronden (Prediker 3:11). Net zoals Rex en Saskia zuchten onder de last van de eenzame oneindigheid, gesymboliseerd in het motief van het getal acht en het gouden ei, zo lijkt de Prediker te erkennen dat de mens het gewicht van de eeuwigheid niet aankan.
De conclusie van Krabbé en die van de Prediker zijn echter volledig anders. Waar Krabbé in de oneindigheid niets dan eenzaamheid en onbereikbare liefde ziet, vindt de Prediker in de oneindige eeuwigheid God zelf. “Alles wat God doet, blijft voor eeuwig . . . en God doet het opdat de mens ontzag voor Hem heeft. Wat er is, was er al lang; wat zal komen, is er altijd al geweest. God haalt wat voorbij is altijd weer terug.” (Prediker 3:14-15). Uiteindelijk concludeert de Prediker dat God alles wat verborgen is in het gericht zal brengen, hetzij goed, hetzij kwaad (Prediker 12:14). De uitkomst en de slotzinnen van Het gouden ei staan hier lijnrecht tegenover. De afwezigheid van God in Het gouden ei blijkt een echo te zijn van de oneindige leegte die Rex en Saskia ervaren, een ervaring die diepmenselijk is.
In zijn bespreking wijst Dera op het dramatisch-ironische verhaalmotief van de verdwijning van de aardbodem dat in paradoxaal contrast staat met het ruimtevaartmotief van het gouden ei. In Het gouden ei leiden beide motieven uiteindelijk tot een ontknoping in een verlossing door vernietiging. Dat dit geen verlossing genoemd kan worden, is misschien wel de zwaarste mokerslag die Het gouden ei uitdeelt aan de lezer. Hoe anders is dat in het bijbelse verhaal. God laat de mens niet eenzaam achter in het besef van lege oneindigheid. Verlossing is geen kwestie van een onbereikbare liefde die uiteindelijk slechts kan leiden tot vernietiging. Ook God blijft op zoek naar wie verloren is, maar niet zonder hoop. Wie bekend is met het evangelie, weet dat Jezus heeft gedeeld in het lot van de mensheid zoals Rex heeft gedeeld in het lot van Saskia, maar met een uitkomst die veel verrassender is. Niet voor niets wordt Jezus in de Bijbel voorgesteld als Adam. De diepste menselijke nood smeekt om een God die afdaalt tot het diepste menselijke punt. Het fictionele verhaal van Het gouden ei mag dan onze hang naar huiver kietelen, de metafictionele werkelijkheid mag dan onze angstigste ervaringen blootleggen, maar alleen het werkelijke verhaal van het evangelie over de opstanding uit de dood vervult uiteindelijk ons diepste verlangen.
In het blootleggen van dit verlangen ligt de kracht van Het gouden ei. Het verhaal bevat weliswaar geen verlossing, maar de pregnante vraag naar verlossing wordt zeker opgeroepen. Op een doodgewone vakantietrip kunnen wij plotseling geconfronteerd worden met de existentiële vraag naar ons bestaan, met de angst om te verliezen wie wij liefhebben en met een weemoedig besef van verlorenheid tussen waar wij vandaan komen en waar wij naartoe gaan. Een theologische benadering kan dit ontdekken in Het gouden ei en ons ook helpen om een antwoord te vinden op deze metafictionele vragen.
Literatuur
- Dautzenberg, Jozef Anton. ‘Het gouden ei.’ In: A.G.H. Anbeek van der Meijden, J. Goedegebuure & M. Janssens (red.), Lexicon van literaire werken. Besprekingen van Nederlandstalige literaire werken 1900-heden, Groningen 1995: 1-11.
- Dera, Jeroen. ‘Het gouden ei in het literatuuronderwijs. Van docentopvattingen naar nieuwe perspectieven op een schoolklassieker.’ Vooys, 39 (2021) 2: 17-27. https://hdl.handle.net/2066/234085
- Krabbé, Tim. Het gouden ei. Amsterdam, 2020 (1984).
- Pruis, Marja. ‘”Ik ken genoeg leuke vrouwen van zestig.”‘ Interview met Tim Krabbé.” In: De Groene Amsterdammer, 19-04-2003.
